De anatomie van mijn hoofd

A. Dit is mijn haar. Het is het dunst bezaaide en meest fijne haar dat je ooit zal tegenkomen. Als ik mijn haar los draag zonder het te belegeren met een heel arsenaal stylingproducten en zonder het te touperen, zie je mijn hoofdhuid door die schrale hoofdtooi heen schemeren. In een ver, met verve verdrongen verleden had mijn haar een gehele andere kleur, een soort nikserig quasi-blond. Aan de kleur op deze foto ben ik ondertussen echter zo gewend, dat ik het beschouw als mijn natuurlijke haarkleur.
B. Mijn handelsmerk: de bloem. Ik draag er iedere dag een en heb een collectie van ruim dertig verschillende kleuren. Als ik een nieuw kledingstuk koop, ga ik vaak meteen op zoek naar een bijpassende bloem. De meeste haarbloemen maak ik overigens zelf.
C. Mijn wenkbrauwen. Als ik mijn wenkbrauwen niet een beetje bijteken, zijn ze nagenoeg doorzichtig. Aangezien ik al meer dan genoeg loze ruimte in mijn gezicht heb (zie 'De Noordoostpolders' hieronder), teken ik ze daarom netjes iedere ochtend bij. Tot mijn grote schande en verdriet blijk ik niet in staat één wenkbrauw op te trekken om scepsis uit te drukken of de aandacht te trekken.
D. Dit zijn mijn ogen. Die vind ik misschien wel het guitigste onderdeel in mijn gezicht. In de allereerste brief die ik van mijn Grumpy Old Man kreeg, bejubelde hij mijn ‘malachietgroene ogen’. Ik heb vroeger halfedelstenen gespaard en ben er redelijk zeker van dat het slootgroen van mijn ogen niets met malachiet te maken heeft.
E. De voornaamste reden voor mijn flirt met een Wit-Russische afkomst (zie het hoofdstuk 'Ik ben Wit-Russisch'), zijn mijn jukbeenderen. In heel hun monumentaliteit vormen ze misschien wel het meest prominente aspect van mijn gezicht.
F. Op mijn vijftiende had ik al acht gaatjes in mijn oren, dus het enige wat ik nog met een beetje puberaal fatsoen kon laten piercen, was mijn neus. Ik zeg piercen, maar in werkelijkheid heb ik de dame bij de juwelier weten te overtuigen het schietapparaat waarmee ze voorheen mijn oor belaagde, ditmaal op mijn neusvleugel te zetten. Dit was nog in de tijd dat je niet eerst op internet kon opzoeken dat zoiets een buitengewoon slecht idee is. Toch bleek het resultaat van dit geïmproviseerde aanvalsplan allerminst onfortuinlijk.
G. Puistjes, godverdomme. Ik ben waarschijnlijk de enige neukende VIJF-EN-TWINTIG-JARIGE met deze ontsierende witkoppige monsters op haar gelaat. Een geliefd pestonderwerp van mijn Grumpy Old Man.
H. De Noord-Oostpolders. De weidse vlakte zowel rechts als links van mijn mond wordt door vriend en vijand de Noord-Oostpolder genoemd. Had er gras gestaan, dan zouden hele kuddes koeien hier een jaar van kunnen leven. Dreigde er een catastrofale dijkdoorbraak, dan zou men deze polders onder water kunnen laten lopen en niemand was nog in gevaar geweest… Afijn, ze zijn nogal groot dus.
2012-02-16 / Maanziek

reacties
mike / vr 17 feb 2012 13:07
reageer